Rond mijn vijfendertigste koos ik voor een tweede, ambachtelijk beroep. Ruim twintig jaar lang werkte ik in een eenmanszaak met mijn handen.

Ik begon bij een meubelstoffeerderij, waar ik als enige vrouw tussen mannen werkte. In de pauze werd er naar de kantine gesprint; wie het eerst “de autoweek” (een tijdschrift) had, pakte een kop koffie erbij en een wit zacht bolletje. Vijftien minuten later ging iedereen weer aan het werk.

Het werken in deze grote stoffeerderij op een industrieterrein, waar je letterlijk geen kant op kon, was niet helemaal mijn ding. Toch wilde ik ervaren hoe het écht is om met je handen te werken.

Ik leerde veel van de collegiale cultuur onder mannen. Je liet elkaar niet zitten, ook niet als het even tegenzat. Juist dan niet. Er was altijd wel iemand bij wie je terechtkon. Een vorm van broederlijkheid.

Alsof het niet genoeg was dat ik als vrouw binnenkwam – wat toen nog vrij zeldzaam was – was ik ook nog hoger opgeleid. Daar vond men wel wat van. Maar ja, ik wilde met mijn handen leren werken. In het begin moest ik veel slopen, het kaal maken van de romp van meubels, en opruimen. Gelukkig kreeg ik al snel de kans om het echte werk te doen en leerde ik veel, onder begeleiding van stuk voor stuk vakmensen.

Hoofd, hart en handen – zo binnen, zo buiten.
Ik ken de uitspraak dat het lastigste stukje weg dat je aflegt maar twintig centimeter lang is: de afstand van je hoofd naar je hart. Voor mij was het duidelijk dat ik ook de toets van mijn handen wilde tegenkomen. Mijn weg liep daarom nog een stukje verder.

Met je handen leren werken kost tijd. Ken je dat idee: “Dat fix ik wel even vóór het eten”? Terwijl de praktijk vaak heel anders uitpakt. Om bijvoorbeeld een plankje recht, stevig en zonder kieren tegen een muur te krijgen, krijg je te maken met scheve muren, botte boortjes of materiaal dat niet meewerkt.

De praktijk van het leven blijkt vaak anders uit te pakken dan hoe we ons hadden voorgesteld dat het zou gaan. In de meubelstoffering werd dat heel letterlijk: je zoekt je weg door de stof heen.

Het is alsof je iets omsmeedt. Niet alleen je eigen verkeerde voorstellingen van de werkelijkheid, maar ook je ideeën over haalbaarheid. Over tijd. Over je eigen lichaam soms. Over gereedschap dat niet geschikt blijkt, een gebrek aan planning of omstandigheden die anders lopen dan verwacht.

En dan is er nog de uitdaging om niet te verdwijnen in perfectionisme. Om niet vast te lopen in teleurstelling of afnemend enthousiasme.

Het is een route die je loopt. Ik zou zeggen: een langeafstandswandeling. Van je hoofd naar je hart, en vervolgens verder naar je handen.

Afdalen tot in je handen is jezelf in de spiegel zien.
Die weg kan ik met jou bewandelen, met jouw innerlijke familie. Tijdens het werk krijg je een weg naar zelfreflectie geboden. Het geheel van veerkracht (jongetje), schoonheid, (meisje), draagkracht, (vrouw), daadkracht (man) .

Ik kijk met de ogen van iemand die niet alleen ziet waar een systeem vastloopt – jouw innerlijke familie – maar ook met de ogen van wat je misschien de spiegel van de ziel zou kunnen noemen. Levensprocessen lees ik als vanzelf.

Een stoel is daarin een prachtige metafoor. Een stoel is een plek die jou draagt. Met een rug, een zitting en armleuningen, net zoals jij zelf, en jij zelf gedragen wilt worden. Tijdens het werk kom je tegen wat nodig is om die stoel weer werkelijk dragend te maken. Zodat jij je prettig voelt in die stoel. Misschien gaat het daarbij uiteindelijk wel over jouw eigen lichamelijkheid.

De stof is een huid die met de juiste spanning weer kracht uitstraalt, weer als nieuw is. . De romp is het skelet, waarop veren en vulmaterialen weer vorm krijgen. Werken aan een goede veerkracht in de stoel, is draagkracht creeren.

Het is een eerlijk proces. Zonder oordeel. En tegelijkertijd enorm spiegelend.

Door met je handen te werken, ontmoet je jezelf. Wat je vermijdt, waar je kracht zit, waar je geduld wordt gevraagd en waar iets nieuws mag ontstaan. Ambacht wordt dan meer dan een vak; het wordt een weg naar binnen, en die loopt via het hart. Een weg dus waarop hoofd, hart en handen weer met elkaar verbonden raken. De foto is uit een fase waar ik in het speciaal onderwijs mocht werken met jongeren, een buitenkans voor mij destijds.